|
Dierenbescherming · Kids for Animals · Dierenasiel · Dierenambulance · Kleine huisdieren · Hond · Dieren voor vermaak · Kat · Landbouwdieren & Bio-Industrie · In het wild levende dieren · Proefdieren en dierproeven · Proefdieren en dierproeven · De Flora- en faunawet
|
Proefdieren en dierproeven : In Nederland worden jaarlijks ruim 700.000 proefdieren gebruikt. Sommige dieren (3 procent) worden meer dan één keer gebruikt. De meeste experimenten worden gedaan op muizen (ruim 45 procent) en ratten (ruim 20 procent), maar ook andere diersoorten zoals cavia's, konijnen, kippen, honden, katten, geiten, varkens, apen, vogels, vissen, en amfibieën worden ingezet.
Wetgeving : Dierproeven zijn in principe verboden, mits de instelling over een vergunning van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikt en de onderzoekers zelf een positief advies hebben gekregen van een Dier Experimenten Commissie (DEC) voor het doen van hun onderzoek. Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat in de 'Wet op de dierproeven' (WOD) en in het Dierproevenbesluit (Db). De WOD bestaat sinds 1977 en is in 1996 gewijzigd. Binnenkort (2004/2005) wordt de wet geëvalueerd. Voor biotechnologische handelingen met dieren moet vergunning worden verleend door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Doeleinden : Voor welke doeleinden dierproeven wel of niet gedaan mogen worden, is ook in de WOD vastgelegd. Vergunning wordt verleend voor: proeven in het kader van biomedisch onderzoek; voor het bestuderen van ziekten en het ontwikkelen van medicijnen en therapieën; proeven die zowel nationaal als internationaal wettelijk verplicht zijn; dit zijn voornamelijk giftigheidtests in het kader van veiligheid, denk aan verf- en schoonmaakmiddelen, stoffen verwerkt in huishoudelijke apparaten, chemische stoffen in landbouw en industrie. Maar ook worden er tests gedaan om te zien of stoffen wel werken, denk aan geneesmiddelen, vaccins en medische producten; proeven uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid; zo worden er dieren uit het wild gevangen en voor giftigheidtests gebruikt, maar ook worden ze gemerkt en weer teruggezet in hun leefomgeving om hun gedrag of de grootte van hun territorium te bestuderen.
Gentechnologie : Sinds 1980 worden allerlei biotechnologische technieken toegepast op dieren, waaronder kunstmatige inseminatie, embryotransplantatie of het toedienen van groeihormonen. Vanaf 1990 komen met name genetische manipulatie, kloneren van dieren en xenotransplantatie in de belangstelling te staan.
Het aantal genetisch gemanipuleerde proefdieren is de laatste jaren fors gestegen, van ruim 68.000 dieren in 1998 tot boven de 125.000 in 2002 (toename van meer dan 80 procent). Het gaat hier vooral om kleinere knaagdieren, zoals muizen en ratten. In de loop van de jaren worden echter ook steeds meer andere dieren gebruikt, zoals konijnen, geiten, varkens, vogels en vissen. Uit de officiële cijfers blijkt dat er zeer veel dieren gedood worden zonder getest te zijn, bijvoorbeeld omdat zij uitsluitend gebruikt worden voor het in stand houden van 'transgene lijnen'. In 1998 ging dit om ruim 23.000 dieren, nu zijn dat er ruim 100.000!
Wetgeving "In het 'Besluit biotechnologie' (1994) zijn regels opgenomen voor het uitvoeren van biotechnologische handelingen bij dieren. Het uitgangspunt is 'Nee, tenzij...', dat wil zeggen dat er geen biotechnologische handelingen met dieren mogen worden gedaan, tenzij er een fundamenteel belang is voor de (gezondheid van) de mens en er geen alternatief is. Niet het Ministerie van VWS, maar het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is verantwoordelijk. Ook het 'maken van transgene dieren' is verboden, tenzij men een vergunning heeft van de minister van LNV. Hij vraagt hiervoor advies aan een centrale commissie, de Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD). Ook deze wet wordt binnenkort (2004/2005) geëvalueerd.
Doeleinden : Bij gentechnologische handelingen bij dieren zijn grofweg in drie doeleinden te verdelen: medische doeleinden (voor zowel mens als dier) ; productie van medicijnen en organen in transgene dieren; landbouwhuisdieren, zoals koeien, geiten en schapen, kunnen genetisch gemanipuleerd of gekloneerd worden als leveranciers van medicijnen en organen. De beroemdste dieren zijn wel geweest de stier Herman in Nederland en het schaap Dolly in Engeland. Beide zijn inmiddels overleden; ze werden geëuthanaseerd omdat ze aan ernstige gewrichtsontstekingen leden. Genetische manipulatie van varkens zou ertoe moeten leiden dat hun organen getransplanteerd kunnen worden naar de mens (xenotransplantatie) zonder al te grote afstotingsreacties. 'verbetering' van dieren voor productiedoeleinden; in de landbouw en visserij streeft men naar goedkopere productiemethoden en betere 'dierproducten'. Dieren verandert men zodanig, dat zij gewenste eigenschappen gaan vertonen. Denk aan een grotere voedingswaarde (een andere vlees/vet verhouding) of grotere omvang. In Nederland wordt het genetisch manipuleren van dieren in de landbouw (nog) niet toegepast.
Vergunningen : Een vergunning voor biotechnologische handelingen bij dieren krijgt men als: de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid en het welzijn van dieren; tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan. Er zijn drie commissies die vergunningaanvragen aan deze voorwaarden toetsen:
DEC's : Eén van de belangrijke wijzigingen uit 1996 was het wettelijk vastleggen van een (ethische) toetsing door een DierExperimenten Commissie (DEC), alvorens men met een dierproef zou mogen beginnen. Deze toetsingsprocedure is niet openbaar. De discussie over open(baar)heid en transparantie van DEC's woedt binnen het onderzoeksveld al geruime tijd. Tot nu toe is de Dierenbescherming (of andere dierenbeschermingsorganisaties) niet vertegenwoordigd in een DEC. Belangrijke reden hiervoor is dat wij gezien ons standpunt nooit kunnen instemmen met een positief advies. Bovendien zijn DEC-leden wettelijk verplicht tot geheimhouding, een positie die eveneens indruist tegen onze visie. Hoe de toekomst eruit zal gaan zien, is mede afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie van de WOD. Wij houden u op de hoogte.
Commissie Biotechnologie bij Dieren : In 1989 besloot de overheid een Tijdelijke Commissie van Ethiek en Biotechnologie bij Dieren in te stellen. Dit werd de 'Commissie Schroten'. Deze commissie stelde voor om voor biotechnische handelingen bij dieren een terughoudend beleid te voeren, dat bekend werd als het "Nee, tenzij"-beleid. Het advies werd in 1991 door de regering overgenomen. En dat leidde er weer toe dat er in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een hoofdstuk werd opgenomen over biotechnologie bij dieren. Vanaf 1997 is de naam 'commissie Schroten' veranderd in 'Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD). De CBD adviseert de minister van LNV over de vergunningaanvragen. De Dierenbescherming heeft op vrijwel alle vergunningaanvragen, adviezen van de CBD en besluiten van de minister gereageerd in de vorm van schriftelijke bedenkingen en/of mondeling op hoorzittingen. Een enkele keer is eveneens een beroep ingesteld.
In 2003 hebben wij besloten alleen nog op voorlopige besluiten van de minister te reageren, als deze zijn genomen op basis van verdeelde adviezen van de CBD. Dit is ons inziens efficiënter en effectiever. Uiteraard beraden we ons aan de hand van de evaluaties van de verschillende relevante wetten op nadere activiteiten.
Commissie Genetisch Gemodificeerde Organismen (COGEM) : Deze commissie valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). Zij heeft tot taak de Minister te adviseren over het vervaardigen van en handelingen met Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO's), inclusief dieren. Daarbij wordt gekeken naar de risico's voor mens en milieu van de toepassingen van de GGO's en welke veiligheidsmaatregelen er eventueel genomen moeten worden.
|