Dier Natuur & Milieu > GAIA : Frequently Asked Questions
.

Wat betekent de naam GAIA

GAIA is de afkorting van Global Action in the Interest of Animals. Het woord gaia bestaat al vele duizenden jaren. Gaia betekent in het Oud-Hebreeuws voelend leven en in het Arabisch leven. In de Griekse mytologie was Gaia de moedergodin van de aarde waaruit alle leven ontstaat. De dierenrechtenorganisatie GAIA voert op verschillende terreinen (Global) actie (Action) voor het welzijn en de rechten, kortom in het belang van de dieren (in the Interest of Animals).
Wanneer en door wie werd GAIA opgericht?

GAIA werd op 31 mei 1992 opgericht en op 10 juni 1992 aan pers en publiek voorgesteld door Michel Vandenbosch (voorzitter, beleids- en campagnedirecteur), Ann De Greef (secretaris, algemeen directeur) en Achilles Cools (vice-voorzitter).
Is GAIA ook actief buiten België?

GAIA is in de eerste plaats opgericht om georganiseerd dierenleed in België aan te pakken. Dat betekent niet dat buitenlandse mistoestanden ons onverschillig laten. Waar wij kunnen, proberen wij ook daar iets te doen maar onze middelen en tijd zijn helaas beperkt. Vele belangrijke dossiers worden de dag van vandaag op Europees niveau beslist. Samen staan we sterker en kunnen we nog efficiënter zijn. Daarom vindt GAIA het belangrijk deel uit te maken van samenwerkingsverbanden over de grenzen heen. GAIA vormt dan ook coalities met dierenrechtenorganisaties op Europees en internationaal niveau .
Moet ik vegetariër zijn om me bij GAIA aan te sluiten?

Neen. GAIA komt op voor de rechten van alle welzijnsgevoelige dieren en voert geweldloos actie tegen georganiseerde dierenmishandeling, waaronder de vleesindustrie. Om ethische redenen en uit respect voor de dieren pleit GAIA dan ook voor vegetarische voeding. Maar GAIA is geen vegetarische organisatie. Iedereen met een hart voor dieren is welkom om zich aan te sluiten. De misbruiken en wantoestanden in de vleesindustrie zijn echter zo groot dat we dieren het best kunnen helpen 1. door er zelf zo weinig mogelijk aan deel te hebben, d.w.z. door de producten van al dat dierenleed niet te consumeren, en 2. door er tegelijk als lid, als vrijwilliger en als activist van GAIA tegen op te komen, door ons te engageren en actie te voeren voor veranderingen. Tevens zijn er in onze samenleving zoveel voedzame en lekkere alternatieven, dat het helemaal niet nodig is om dieren te doden voor ons voedsel. Mensen maken voor zichzelf uit of ze stoppen met vlees (van dieren) te eten. Dat neemt niet weg dat het hier gaat om een beslissing met ethische draagwijdte: het is een morele kwestie, een keuze tussen lijden en welzijn, tussen leven en dood.

GAIA pleit voor vegetarisme. Dieren doden nochtans andere dieren voor voedsel. Waarom zouden wij dat dan niet mogen doen?

De meeste dieren die elkaar doden voor voedsel, zouden niet overleven als zij dat niet zouden doen. Dat geldt niet voor ons. We zijn beter af als we geen vlees eten. Een leeuw die op een gazelle jaagt, kan niet plots afremmen en zich afvragen: ‘Heb ik een alternatief? Berokken ik deze gazelle leed?’. Mensen zijn morele wezens die kunnen kiezen tussen goed en kwaad. Leeuwen kunnen dat niet. Bovendien nemen we dieren ook niet als maatstaf voor ons gedrag op andere terreinen, dus waarom zouden we dat nu hier wel doen?
Voeren dierenrechtenorganisaties zoals GAIA ook terroristische acties?

GAIA voert altijd op vreedzame wijze, dus zonder geweld actie voor de rechten van weerloze dieren. GAIA kiest bovendien voor een aanpak van overleg en beredeneren, wij proberen de publieke opinie te sensibiliseren voor dierenleed en ijveren voor een diervriendelijker beleid. Dat is niet eenvoudig en vergt veel inzet en doorzettingsvermogen, maar onze aanpak werpt vruchten af. Geweld leidt alleen maar tot meer geweld. GAIA veroordeelt dan ook elke gewelddadige actie van welke organisatie dan ook. Als wij ook geweld zouden gebruiken, zouden wij immers geen haar beter zijn dan diegenen die dieren gewelddadig en wreed mishandelen. Geweld roept alleen maar meer geweld op en zo komt men in een spiraal van agressie die alleen maar leidt naar nog meer ellende.
Hoe kun je het rechtvaardigen dat je je tijd aan dieren besteedt, terwijl er zoveel belangrijkere problemen zijn, zoals drugs, racisme, daklozen, de honger in de wereld of kindermishandeling en -uitbuiting?

Er zijn veel ernstige problemen die onze aandacht verdienen. Dierenleed is er één van. We moeten proberen om alle leed en onrecht, waar dan ook, te bannen. Dieren helpen is niet belangrijker en niet minder belangrijk dan mensen helpen - het is allemaal belangrijk. Het is ‘in de bereidheid om wat weerloos is, te respecteren’, dat we ons ‘manifesteren als ethische wezens. De bereidheid te respecteren wie of wat dit respect niet kan afdwingen, is de ethische barometer van een beschaving.’ En: ‘De graad van beschaving van een land laat zich meten aan de wijze waarop het zijn dieren behandelt’. Om over na te denken, niet?

Indien we de dieren die we gebruiken voor consumptie een goed leven geven, wat is er dan mis met het eten van vlees?

Ook het doden van dieren voor consumptie is een ethisch probleem. In onze huidige westerse samenleving hebben we geen vlees nodig om gezond te leven en te overleven. Er zijn voldoende volwaardige en lekkere alternatieven. Waarom dieren met gevoelens en verlangens doden wanneer een alternatief voorhanden is? Als deze dieren een gelukkig leven leiden, hebben ze evenveel recht als wij om te blijven genieten van dat leven, tot ze een natuurlijke dood sterven.
Als iedereen vegetariër zou worden, komt er een overpopulatie varkens, koeien, kippen, ...

In België alleen worden jaarlijks ongeveer 230 miljoen dieren gedood voor consumptie. Op wereldschaal gaat het om miljarden geslachte dieren. Het aantal geslachte dieren is zo verschrikkelijk groot omdat er zoveel vlees gegeten wordt. Indien iedereen vegetariër werd, zouden die miljoenen dieren niet ronddolen in de straten want ze zouden eenvoudigweg niet ‘geproduceerd’ worden. Als iedereen vegetariër zou worden zouden de meeste dieren er dus slechter van af komen, omdat veel van hen dan niet eens geboren zouden worden. Het leven van de dieren in de intensieve veehouderij is zo miserabel, dat we ze echt geen dienst bewijzen door hen tot een dergelijk bestaan te dwingen, opgesloten en misbruikt en afgeslacht als productiemiddelen of omhulsels voor vlees.
Veehouders geven om hun dieren. Immers, als de dieren ongelukkig of ongezond zouden zijn, zouden zij niet zoveel producten als vlees en eieren produceren.
Vooral de intensieve veehouders, die zoveel mogelijk dieren houden op zo weinig mogelijk ruimte, zijn niet zozeer geïnteresseerd in het welzijn van hun dieren dan wel vooral, of in het ergste geval alleen, in hoeveel hun dieren opbrengen. Zo worden dieren verengd tot een soort levende machines om zoveel mogelijk melk, vlees en eieren te produceren. Dit alles is duidelijk waar te nemen in de vakbladen uit deze industrie. Men maakt b.v. gebruik van snelgroeiende rassen vleeskippen, speciaal geselecteerd om in amper 42 dagen van een piepkuikentje tot een mastodont van meer dan 2 kg, het gewenste slachtgewicht, uit te groeien. Deze dieren zitten met 24 per vierkante meter opeengepropt in hun laatste levensweek en lijden aan buikzucht, kreupelheid en brandwonden aan de voetzolen (ten gevolge van de ammoniak in de uitwerpselen).

De veehouders kunnen het zich veroorloven om een bepaald percentage dieren te verliezen aan ziekte of sterfte (uitval genoemd); ze verdienen dan toch nog genoeg omdat de kosten per productief dier zeer laag zijn. Zogenaamde voor- of vroegtijdige sterfte (vooraleer de dieren afgevoerd worden naar het slachthuis) zal maar als een probleem erkend worden vanaf het moment dat de productiviteit er onder gaat lijden. De dieren worden behandeld met medicijnen, speciale voeders en worden dicht bij elkaar gepropt in stallen opgesloten. Bij kippen wordt, om meer eieren te verkrijgen, het dag- en nachtritme gemanipuleerd door het licht bijna 24 uur lang aan te houden. Het feit dat b.v. kippen eieren leggen en zogenaamde vleesvarkens aanmesten en zeugen biggen werpen, zegt op zich niets over hun welzijn, gezien zij ook onder slechte omstandigheden ‘produceren’. Bij melkvee is er dan weer wel een duidelijke link tussen verminderde melkproductie en slecht dierenwelzijn. Vandaar dat men, om het ligcomfort van de dieren in de stallen te vergroten, ligmatten zal voorzien, meer bepaald om pijnlijke klauw- en pootkwetsuren tegen te gaan (een belangrijk welzijnsprobleem in de melkveehouderij). De vraag rijst of men dit ook zou doen indien welzijnsproblemen geen effect zouden hebben op de melkproductie?

Een onmiskenbare indicator van goed welzijn is de afwezigheid van abnormaal, gestoord gedrag én het vertonen van normaal gedrag (in de betekenis van: eigen aan de soort). Wat dit precies inhoudt wordt per diersoort onder meer bepaald door de dieren te observeren in vrijheid, of tenminste in een omgeving, die voor hen interessant en stimulerend is en die maximaal voldoet aan hun behoeften. Voor nertsen b.v. geldt dat ze de behoefte hebben aan zwemmen, veelvuldig duiken en lange afstanden lopen in een leefgebied van enkele vierkante kilometers. Niets daarvan kunnen ze doen in fokkerijen. Ook hun lichaamsbouw verraadt waar de dieren behoefte aan hebben : bvb de poten van nertsen zijn gedeeltelijk voorzien van zwemvliezen.
Dieren die in de intensieve veehouderij, dierentuin, pelsdierhouderijen of in proefdierlaboratoria in kooien gehouden worden, lijden toch niet? Ze weten niet beter want hebben nooit anders gekend.

Dat dieren nooit iets anders gekend hebben dan een afstompend leefmilieu waartoe mensen hen gedwongen hebben, en zich evenmin bewust zijn van hun natuurlijke potentieel tot levenskwaliteit (‘ze weten niet beter’), is geen rechtvaardiging voor een dergelijke behandeling.

Een leeuw of een dolfijn kan het vrijheidsbegrip van een mens in al zijn vormen en subtiliteiten niet vatten. Dat betekent niet dat hij geen behoefte heeft aan vrijheid. In zijn boek Respect for Nature begrijpt de Canadese filosofieprofessor Paul Taylor de dierlijke vrijheid idealiter als de afwezigheid van de minste belemmering die een dier hindert in zijn normale activiteit en gezonde ontwikkeling en een zelfstandig bestaan in hún biotoop dat ontsnapt aan de directe controle van de mens en vrij is van voortdurende menselijke tussenkomsten.

Hier hebben dieren de meeste kansen om hun leven zelf te sturen, in de woorden van Paul Taylor 'tot bloei' te komen, en het bestaan te leiden waartoe ze van nature uitgerust zijn, waar ze ook geboren zijn. Een olifant leeft in een toestand van optimaal welzijn naarmate hij zijn soorteigen doelen, behoeften, verlangens en voorkeuren kan nastreven en vervullen. Voor een olifant maakt de mogelijkheid om in kudde te migreren daar deel van uit. Drie meter lange tuimelaars zijn al 65 miljoen jaar perfect gestroomlijnd om in hechte sociale groepsverbanden van enkele tientallen tot wel duizend dolfijnen dagelijks tot 60 km te zwemmen en 200 tot 500 meter diep te kunnen duiken.

Een schrijnend contrast met een dolfinariumbassin van enkele tientallen vierkante meter en enkele meters diep. In die omgeving kan het natuurlijke, aangeboren potentieel (waar ze ook geboren zijn, in gevangenschap of niet) aan voor hen normale soortspecifieke vaardigheden zich niet of nauwelijks ontwikkelen en wordt de dieren tekort gedaan. Niet alleen directe, fysieke mishandelingen, die zichtbare lichamelijke schade (letsels en verwondingen) veroorzaken, of ziekte door verwaarlozingen, zijn een graadmeter van slechte levenskwaliteit. Ook de mate van ontplooiing van het natuurlijke potentieel of van deprivaties en frustraties door gebrek aan ontplooiingsmogelijkheden, bepaalt of een dier een waardig dan wel onwaardig bestaan leidt. Leven in een saaie omgeving waarin de levensruimtelijke vrijheid sterk beknot wordt, kan het mentale welzijn van dieren zodanig erg aantasten dat ze zich uit verveling of frustratie neurotisch of zelfs psychotisch gedragen, zich zelf verminken, depressief of apathisch worden.

In de natuurlijke omgeving komt aan hun levensloop onvermijdelijk vroeg of laat een einde, al dan niet abrupt. Dat hoort bij de risico's van het bestaan. Maar los daarvan zijn dieren, min of meer solitair levend of in een sociale groep, in hun biotoop onbevangen vrij te komen en te gaan waar ze willen. Slechts afgeremd door hun eigen natuurlijke begrensdheid of tot ze botsen op een omheining die een wildpark begrenst. Voor een dolfijn is dat de kustlijn. De natuurlijke wereld van een normale dolfijn kent geen betonnen muren noch glazen wanden.
Hoe weet ik wanneer een cosmeticaproduct dierproefvrij is?

Bedrijven die bereid zijn de Internationale Norm Dierproefvrij te ondertekenen (dit houdt in dat noch hun ingrediënten noch hun eindproducten, noch door henzelf noch door hun leveranciers getest worden op dieren) worden in onze dierproefvrije cosmeticalijst opgenomen. We verzekeren ons van de waarachtigheid van de bedrijven door hen jaarlijks om een schriftelijke garantie van zichzelf en hun leveranciers te vragen.

Wanneer een bedrijf deze norm niet ondertekent, betekent dat dus dat ze ofwel hun ingrediënten testen, ofwel voeren hun leveranciers testen uit, ofwel hebben ze nog een andere reden om niet te tekenen (een reden die wij niet kennen). Dat bedrijf wordt dan niet opgenomen in de internationale lijst van dierproefvrije cosmetica.

Bedrijven die zeggen dat hun eindproducten niet op dieren getest worden, liegen hoogstwaarschijnlijk niet. Jammer genoeg vertellen ze vermoedelijk niet de volledige waarheid: de ingrediënten worden waarschijnlijk nog door derden op dieren getest. Bijgevolg zijn hun producten niet dierproefvrij.
Als we niet op dieren zouden testen, zouden we dan niet op mensen moeten testen?

Neen, helemaal niet. We hoeven niet te kiezen tussen testen op dieren en testen op mensen. Er worden trouwens niet-ingrijpende experimenten gedaan op menselijke proefpersonen, die, goed ingelicht, vooraf hun toestemming moeten kunnen geven. Maar aan een dier, dat, in tegenstelling tot de menselijke proefpersoon, voor een experiment gepijnigd, ziek gemaakt, vergiftigd of verminkt wordt, vraagt men zijn toestemming niet. Het dier kan zich niet afdoende verweren en is als zodanig een slachtoffer van machtsmisbruik. Het is zeker waar dat één van de fundamentele problemen van dierproeven de moeilijkheid is om de resultaten te extrapoleren van één soort naar een andere, en dus is het doel van de vervanging van dierproeven methoden vinden die biologisch relevanter zijn. Maar dat houdt zeker geen onethische experimenten op mensen in!

Er is een hele reeks gesofisticeerde, geavanceerde onderzoekstechnieken waar geen dieren aan te pas komen (bvb computersimulaties, cell-, weefsel- en orgaancultuur, complexe kunstmatige systemen, epidemiologie, enz) of hersenbeelden die menselijk biologisch materiaal of informatie gebruiken, zijn onmiddellijk toepasbaar op de menselijke situatie. Deze technieken zijn niet alleen humaner maar ook vaak goedkoper en sneller uitvoerbaar. Bovendien bieden ze relevantere en betrouwbaardere resultaten.
Zijn dierproeven niet noodzakelijk om er zeker van te zijn dat medicijnen veilig zijn voor de mens?

Dierproeven zeggen iets over dieren, niet over mensen. De resultaten van studies op dieren kunnen nooit de veiligheid of doeltreffendheid van menselijke medicijnen of andere producten garanderen door de fundamentele biologische, anatomische en biochemische verschillen tussen mens en dier. Verschillende soorten kunnen compleet verschillende reacties hebben op een reeks stoffen, en het is pas wanneer een stof tijdens menselijke klinische testen wordt uitgeprobeerd dat we echt weten of het veilig is voor gebruik. Er kunnen bijvoorbeeld enorme verschillen zijn in de reactie op effecten van medicijnen in mensen en in andere dieren. Aspirine wordt als een relatief veilige en efficiënte pijnstiller gebruikt bij mensen maar kan fataal zijn voor katten. Penicilline is een veel gebruikt antibioticum bij mensen maar kan cavia’s doden. Arsenicum is heel gevaarlijk voor de mens maar is dat veel minder voor ratten, muizen of schapen. Insuline, een medicijn dat veilig is voor mensen met diabetes, kan afschuwelijke misvormingen veroorzaken bij muizen, konijnen en kippen.

Het gevaar van steunen op dierstudies wordt geïllustreerd door de lange lijst van medicijnen getest op dieren die uit de handel worden gehaald of in hun gebruik worden beperkt door onvoorziene neveneffecten bij menselijke patiënten. In april 2000 bleek uit een studie van de Amerikaanse consumentengroep Public Citizen dat ongeveer 100 000 Amerikanen jaarlijks sterven door een negatieve reactie op een medicijn. Een rapport gepubliceerd door de Britse Audit Commission ‘A Spoonful of Sugar’, gepubliceerd in 2002, onthulde dat menselijke sterftes toegeschreven aan negatieve reacties op medicijnen in de voorbije tien jaar meer dan vijfmaal is toegenomen in het Verenigd Koninkrijk, met een totaal van 1100 gevallen in 2000. Volgens een wetenschappelijke studie die in 2001 is gepubliceerd sterven elk jaar 16 000 mensen in Duitsland door negatieve reacties op medicijnen. We willen allemaal reële vooruitgang zien in de behandeling van pijnlijke en slopende menselijke ziektes, maar we denken dat die vooruitgang afhangt van de ontwikkeling van moderne, biologisch relevante onderzoekstechnieken die geen dierproeven impliceren.

Belangrijk om weten is dat er bedrijven zijn die medicijnen ontwikkelen en testen doen zonder dieren te gebruiken. De Pharmagene Laboratories uit het Verenigd Koninkrijk, bijvoorbeeld, gebruiken alleen menselijke informatie, weefsels en computers en zij produceren veilige medicijnen.  


GAIA : Frequently Asked Questions